|
PRESS
REVIEW

|
publicatie
|
De
Morgen |
|
editie
|
Algemeen |
|
publicatiedatum
|
zaterdag,
23 december 2000 |
|
sectie
|
De
Financiële Morgen |
|
pagina
|
|
|
auteur
|
Ruben
Mooijman |
Nog
steeds geen beslissing over postconcurrentie
De
wanhoop van Philippe Bodson
Hoewel
alle argumenten voor het tegendeel pleiten, gaat de Europese postliberalisering
maar niet vooruit.
De
kans is groot dat senator Philippe Bodson (PRL) gisteren een diepe
zucht geslaakt heeft. Niet van opluchting, maar van wanhoop. Hij
had het de Europese ministers van Post en Telecom nog zo duidelijk
uitgelegd in een open brief in The Wall Street Journal van donderdag.
Het was hoog tijd om in verband met de liberalisering van de postdiensten
nu eens spijkers met koppen te slaan. Maar de excellenties kwamen
er gisteren eens te meer niet uit. Een concrete beslissing over
de liberalisering, waarover in 1997 al een principeakkoord werd
bereikt, lijkt verder af dan ooit.
Dat Bodson zich zo druk maakt over de vrije postmarkt, komt doordat
hij voorzitter is van de Free and Fair Post Initiative, een lobbygroep
van grote klanten van de Europese posterijen. Die bedrijven vinden
dat de al jaren geleden beloofde concurrentie veel te lang op
zich laat wachten. Dat heeft alles te maken met de verdeeldheid
van de Europese lidstaten. De noordelijke landen zijn voorstander
van een vrijgemaakte markt. Zweden heeft zijn eigen markt al in
1993 voor honderd procent opengegooid, en Nederland en Duitsland
hebben sterk presterende en beursgenoteerde postbedrijven die
staan te trappelen om elders in Europa aan de slag te gaan.
Tegenover die noordelijke lobby staan de zuidelijke landen, aangevoerd
door Frankrijk. Zij vinden eigenlijk dat de postlevering niet
aan de wetten van de vrije markt onderworpen moet worden, omdat
een stipte bezorging en een fijnmazig netwerk van postkantoortjes
een maatschappelijk noodzaak zijn, ongeacht het financiële
rendement ervan. Om het nog ingewikkelder te maken, weerspiegelt
die tegenstelling zich nog eens binnen de Europese organen: de
Commissie zit op de 'noordelijke' lijn, het Parlement op de 'zuidelijke'.
Tegenstanders van de liberalisering halen hoofdzakelijk drie argumenten
aan om de concurrentie tegen te houden. Ten eerste vrezen ze dat
de dienstverlening erop achteruitgaat. Een argument dat weinig
geloofwaardig overkomt als je weet dat bijvoorbeeld de Belgische
staatsmonopolist de krantenbezorging grotendeels is kwijtgeraakt
wegens gebrekkige dienstverlening, en de Duitse staatsmonopolist
voor een postzegel anderhalf keer zoveel rekent als de uiterst
efficiënt werkende Nederlandse posterijen. Tegenstanders
zijn ook bang dat de vrije markt voor een reductie van het aantal
postkantoren zal zorgen. In Frankrijk heeft La Poste 17.000 kantoren,
terwijl in de Zweedse posterijen er in een concurrentiële
omgeving maar 1.934 hebben. Wat de tegenstanders vergeten, is
dat het de Franse staat ook in een vrije markt is toegestaan om
17.000 postkantoren te subsidiëren. Wat evenwel niet langer
zou kunnen, is concurrenten van de markt weren die dit aantal
wat hoog vinden. Net zomin als het de Duitsers dan nog is toegestaan
concurrenten van de markt te weren die brieven tegen lagere tarieven
kunnen bezorgen.
De mogelijkheid dat de dienstverlening te veel uitgehold zou worden,
is bovendien uitgesloten door de universele dienstverlening. Net
als bij de telecomliberalisering staan daarin de minimumvoorwaarden
opgesomd waaraan de dienstverlening moet voldoen. Dat verafgelegen
adressen geen post meer bezorgd zouden krijgen of meer moeten
gaan betalen, is dus uitgesloten.
Tweede argument van de tegenstanders is het verlies aan werkgelegenheid.
Vrije markt betekent concurrentie, concurrentie betekent efficiëntie,
efficiëntie betekent automatisering en automatisering betekent
minder personeel. Daar valt niets tegen in te brengen. Maar hoe
sterk is dat argument nog op een moment dat de Belgische posterijen
hemel en aarde moeten bewegen om nog iemand bereid te vinden de
brieven in Vlaams-Brabant rond te dragen en de postbodes nog niet-opgenomen
vakantiedagen ter waarde van 7 miljard te goed hebben? En hoe
is het subsidiëren van overtollige arbeidsplaatsen te verdedigen
tegenover de belastingbetaler?
Laatste argument dan. De liberalisering zou te snel gaan. De staatsmonopolies
hebben meer tijd nodig om zich op de vrije markt voor te bereiden.
Tja, wat is snel? Al in 1989 werd er over de vrijmaking van de
postmarkt gesproken. In 1997 werd de afspraak gemaakt om daar
"gradueel en gecontroleerd" werk van te maken. Is een liberalisering
in 2007 dan te snel? Om nog eens het voorbeeld van de Belgische
posterijen aan te halen: jarenlang is het probleem door de achtereenvolgende
regeringen genegeerd. Bij elke maand die voorbijging, liep De
Post meer achterstand op ten opzichte van zijn Nederlandse en
Duitse collega's en toekomstige concurrenten. Het werd ook moeilijker
die achterstand in te halen. Het was pas met het aantreden van
Rik Daems in de regering en diens benoeming van Frans Rombouts
aan de top van De Post dat er eindelijk iets gebeurde. Het argument
dat de verandering te snel gaat, is moeilijk te verdedigen na
jaren van inertie.
Bij alle discussies over de liberalisering van de posterijen
wordt niet zelden één ding over het hoofd gezien:
de belangen van de consument. Die is gebaat bij een goede dienstverlening
en lage prijzen. Om die twee dingen te bereiken, is concurrentie
een bij uitstek geschikt middel. Dat is trouwens ook de mening
van de Europese consumentenorganisatie BEUC. Die is ondubbelzinnig
voorstander van een snelle en voortvarende liberalisering.
BACK
|